touchingIk heb al een tijdje een kleine psychologiepraktijk waarin met name vrouwen komen met vragen over zichzelf, hun kinderen, hun relaties en/of werk. Eigenlijk zijn bijna alle vragen gekoppeld aan het zichzelf.

Vrouwen hebben namelijk een natuurlijke neiging om zichzelf te bevragen. Beter gezegd, om vraagtekens bij zichzelf en hun eigen gedrag te zetten. Vraagtekens bij hun gedachten en oordelen. Daarmee is niet gezegd dat mannen dat niet ook doen, maar vooraleer mannen zichzelf werkelijk vragen gaan stellen OVER zichzelf heb je vaak nog wel een weg te gaan. Vrouwen zijn daarin sneller, slimmer en tegelijkertijd dommer.

Slimme vrouwen/domme vrouwen
Slimmer omdat ze sneller voor de spiegel gaan staan. Eerder tegen hun eigen muren aan rammen! In hun eigen valkuilen flikkeren en daardoor sneller zicht hebben op wie zij zijn op de ‘negatieve’ vlakken.

Dommer omdat ze vaak vergeten dat er ook zoiets is als context die van invloed is op hen, naast het simpele feit dat ze zichzelf minder vaak of snel positief zullen labelen.

Een gezonde mate van bescheidenheid
Veel vrouwen hebben van nature een gezonde mate van bescheidenheid die ongezonde vormen kan aannemen. Mannen labelen zichzelf beduidend sneller positief en negeren gewoon eerder de negatieve stukken. Daarmee kennen ze zichzelf vaak stukken slechter. Ze overschreeuwen zichzelf vaker. Dat is niks nieuws onder de zon van de psyche.

Mannen en hulpverlening…
Ondanks alle coaching- en trainingstrajecten binnen en buiten bedrijven bezoeken mannen pas de echte hulpverlening wanneer ze werkelijk totaal kapot lopen, verslaafd raken of in de goot liggen. En zelfs dan, wanneer ze psychisch aan de grond zitten, vallen ze nog eerder onder het kopje zorgmijders. Dus wanneer mensen met een vraag zitten of ergens niet meer uitkomen, zijn het nog steeds de vrouwen die sneller ergens aankloppen.

Sommigen benoemen dat als hulpbehoeftig, een bijzonder nare oneigenlijke bestempeling van wijsheid.

Wat is een goede hulpverlener?
En dan ontstaat er een belangrijk beslissingsmoment: naar wie ga je toe? Om nu eens even niet te stranden bij het ‘naar degene bij wie je je goed voelt’ is het wijzer eens stil te staan bij wat een goed hulpverlener zou moeten zijn en dat is:

1)    Inzicht hebben in de vraag waarmee jij rondloopt. Inzicht in levensprocessen binnen een breed kader. Of zeer gespecialiseerd als dat nodig is.

2)    Kennis en kunde in de wegen waardoor je die vraag kunt oplossen of hanteerbaar maken, of hoe je een probleem kunt aanpakken.

Natuurlijk moet je je ook op je gemak voelen bij iemand, maar je hebt werkelijk geen knal aan iemand bij wie je je enkel op je gemak voelt. Ikzelf heb bij tijd en wijlen ook behoefte aan een stuk begeleiding, aan toetsing, ook in het belang van mijn vak. Eigen ervaringen op dat terrein hebben me helder en duidelijk laten zien en ervaren wat er kan gebeuren.

Zoek een hulpverlener voordat de ellende begint
Het punt is dat wanneer je er werkelijk even doorheen zit je oordeelsvermogen afneemt (pure bio- & neurologica) en je gewoon makkelijker prooi bent voor onzinnigheden. Beter kun je dus zorgdragen voor een goede hulpverlener als je niet in de ellende zit. Gewoon vooraf een dijk van een hulpverlener kiezen. Dat doet eigenlijk bijna niemand.
Recent was ik bij een vakgenoot omdat ik tegen iets aan liep. In het tweede gesprek begon me iets danig dwars te zitten. Op weg naar huis belde ik een goede vriend, tevens vakgenoot. Hij luisterde naar mijn verhaal en concludeerde: ‘Kaat, hij is gewoon niet slim genoeg voor jou en hij is te jong.’ Ik slikte dat wat ik zelf ook had gevoeld en gehoord weg, alleen ik vond het zo arrogant van mezelf. ‘Wat een onzin!’

Aan de andere kant van de lijn begon iemand te grinniken. ‘Je weet net zo goed als ik hoeveel kneuzen er rondlopen in hulpverleningsland! Je selecteert toch ook met regelmaat voor anderen?’ ‘Ja maar,’ piepte ik, ‘hoe vind ik dan een geschikte voor mijzelf?’

‘Gewoon bellen en zeggen: “Ik wil een psycholoog met een brein groter dan een schoen en met levenservaring.” Ik verslikte me en vergat bijna te remmen. ‘Ja hallo, dan denken ze straks nog dat ik een enorme omhoog gevallen narcist ben!’ Een enorme bulderende lach klonk op uit mijn mobieltje. ‘Joh, als ze daar in de eerste vijf minuten niet vanaf zien, dan zit je weer verkeerd.’

Thuisgekomen besefte ik dat zelfs ik, als psycholoog, het lastig vind om een ‘collega’ te melden dat ik gewoon bemerk dat hij me niet begrijpen kan. Wellicht dat dat over tien jaar anders zal zijn, maar nu nog niet en ik zit daar niet om les te geven. Dus het derde criterium voor mij is dat mijn hulpverlener even slim of slimmer moet zijn dan ik.

 
Katelijne Ferenschild